Luc Martens
Burgemeester van Roeselare


Kom zeker terug, mijn site groeit dagelijks aan.

[site by Plenso]

De lange weg naar top van de Kilimanjaro

‘De afdaling oogt eenvoudig, tot ik over kop ga en een stuk verderop rol. Niet een keer, maar ook een tweede en derde keer.’


Een gedachte vooraf

Men kan het leven op verschillende manieren benaderen. Een ervan is het leven te zien in uitdijende en dan later zich weer concentrerende cirkels. Geborgen in de moederschoot vinden we het er na negen maanden behoorlijk eng en wringen ons eruit de bredere wereld in. We verhuizen van de wieg naar de kamer en het bed. We dwalen door de tuin, bij de buren en de familie – hier of verder weg -, maken onze eerste reisjes en onze reikwijdte grijpt steeds verder. Maar later gaat het leven weer de andere richting uit: verre reizen vermoeien of houden teveel risico’s in. We beperken onze lange tochten, trekken ons terug in de kleine kring tot er een dag komt dat we nauwelijks nog ons huis of kamer verlaten om uiteindelijk ons weer toe te vertrouwen aan Moeder Aarde, de Magna Tellus waaruit we waren geboren.

Vandaag lijkt mijn reikwijdte nog groot. Voor de tijd die me rest wil ik de continenten verkennen. Drie jaar terug hebben we Peru van Noord naar Zuid grondig verkend. Vorig jaar waren we op de Azoren. Dit jaar was Tanzania het reisdoel met als hoofdbrok de beklimming van de Kilimanjaro. Na reeds eerder Zuid-Afrika, Marokko, Tunesië en Algerije – voor een kortere of langere tijd – te hebben bezocht, wilden we nu echt kennis maken met Zwart Afrika. Tanzania behoort tot de ‘betere’ landen in Zwart Afrika. De Kilimanjaro, de hoogste berg van Afrika, had voor ons iets mythisch en uitdagend. We zijn geen zonnekloppers. We zijn graag in beweging met lichaam en geest.


Muzikaal intermezzo door de locale bevolking


De voorbereiding - in vuur en vlam

De voorbereiding van onze reis is slechts in beperkte mate mijn verdienste. Chantal, mijn partner, regelt en onderhandelt quasi alles. Ik moet slechts mijn fiat geven of hier en daar suggesties doen om het budget te bewaken of de reis ergens nog boeiender te maken. Ook als de reservaties en afspraken reeds vele maanden terug waren vastgelegd, toch moest er de dagen juist voor het vertrek nog een en ander in orde worden gebracht. Vooral het nodige kampeermateriaal en de specifieke uitrusting voor de klimpartij moesten worden samengebracht. Een vriendin hier zorgde voor een slaapzak, een buurman daar had er ook nog een ter beschikking, een andere weer gaf zijn windvrije jas in bruikleen… en wat ons dan nog ontbrak, moest worden gekocht in een speciaalzaak in Lochristi. Wat probleemloos moest verlopen, bleek naderhand toch wat moeilijker te lopen: zowat één kilometer voor we de zaak bereikten drong er een geur van brand in de wagen door. En toen we inderdaad langs de weg gingen parkeren kwamen dikke rookwolken vanonder de motorkap.



Door de hulp van een vriendelijke voorbijganger, de snelle aanwezigheid van de brandweer en de goede service van mijn Saab-garage werd het leed al vlug gelenigd. Met twee uur vertraging konden we met een vervangwagen onze boodschappen doen, het nog ontbrekende materiaal samenbrengen en onze agenda verder afwerken.

Op zaterdag 13 augustus ging er flink wat tijd en aandacht naar het inpakken: twee valiezen, twee rugzakken en nog een goed gevulde handbagage. De vooropgestelde 20 plus 3 kilo bleken als bovennorm te laag. Dus maar hopen dat men op de luchthaven niet moeilijk zou doen.

Op zondag 14 augustus was het dan zover. We checkten op Schiphol Amsterdam probleemloos in. Even leek het fout te lopen toen een plichtsbewuste hostess vragen stelde bij het gewicht van onze handbagage. Maar finaal maakte zij er geen punt van. Wegwezen dus.
Een kanjer van een Boeiing steeg op om 10.20u. Om 9.45u waren we in Arusha, in het noorden van Tanzania. De vlucht verliep vlekkeloos. We werden er opgewacht door een zaakgelastigde die ervoor zorgde dat we snel een goed bed vonden in een nabijgelegen Lodge, die langs ik weet niet welke zand- en kronkelwegen werd bereikt. Waar we ons ’s morgens nog gemakkelijk bewogen in een wereld van ‘witte’ mensen met zwarte als uitzondering, kwamen we hier in een omgekeerde wereld terecht. Als je met twee bent went dit beeld al vlug, temeer de mensen supervriendelijk en behulpzaam waren. We maakten er ook meteen kennis met een biertje dat de ganse reis onze voorkeur zou blijven genieten: de Kilimanjaro, een licht bier met een volle smaak, dat de dorst erg goed lest.



De kamer was eenvoudig, maar net. Het obligate muskietennet moest ons in de nacht beschermen tegen de alom aanwezige en behoorlijke agressieve muggen. Het was een deugddoende nacht.

De volgende morgen waren we al vroeg uit de veren. Een sober ontbijt – dit zal de meeste dagen zo zijn – verorberen en meteen de baan op. Van nu af kunnen we beroep doen op Mike, die onze chauffeur en gids zal zijn bij het bezoek aan de talrijke en uitgestrekte natuurparken in Tanzania.
Mike is een Masaï, maar samen met zijn vader heeft hij het platteland en de kuddes verlaten in de hoop in de stad een beter leven op te bouwen. En dat lijkt nog te lukken ook. Hij is een clevere kerel, die meer dan behoorlijk Engels spreekt en die de wereld van de dieren duidelijk goed kent.
Hij laat ons reeds een eerste keer kennis maken met Arusha – de derde stad van Tanzania – en brengt ons dan in een urenlange rit naar het Ngorongoro National Park.



De lange weg daarheen wordt opgefleurd door kleine straatdorpjes, waar zowat eenieder een handeltje – fruit en groenten, huisgerei, kledij, kunstobjecten die zich in honderdvoud herhalen, … - lijkt te drijven. Zo niet, hangt men toch rond die handeltjes om de lange uren weg te praten. Want nietsdoen is voor velen – in hoofdzaak mannen - blijkbaar een gedwongen bezigheid bij gebrek aan werk. In de buurt van elk dorp zie je kinderen van of naar de school gaan. Ze lopen op een zandige parallelweg, netjes in uniform en in een blije sfeer.



Tot en met vandaag zien we overal de gigantische inspanningen die de eerste president van Tanzania, Joseph Nyerere, een onderwijzer, deed voor de uitbouw van een goed netwerk van scholen. Naast kerken zijn de scholen de meest verzorgde gebouwen. Tussen de dorpen in zijn schrale maïsvelden, rijstvelden, bananen- en koffieplantages, maar vooral veel uitgestrekte dorre gebieden, die erg te lijden hebben onder de aanhoudende droogte.

Mike vertelt ons ronduit over zijn familie en afkomst, over Arusha en de andere steden, over het dagelijkse leven in Tanzania, over de Masaï-krijgers en –herders… Geen vraag – en we zijn echt wel ‘vraagstaarten’ – blijft onbeantwoord.

Nog voor we de krater bereiken zien we een kudde olifanten langs de weg dwalen



en bij de gate tot het nationaal park verzamelen zich tientallen bonobo’s, in de hoop hier of daar een lekkere brok uit een picknick mee te graaien.



Het vijfde been

Verder in het park krijgen we voor het eerst een overzicht van de immense krater, die een beschermde omgeving biedt voor planten en wilde dieren.



Niet toevallig kreeg de Ngorongoro als bijnaam ‘de ark van Noach’. Wie nu allemaal in die ark verblijft is voor morgen.
We moeten nog eerst onze lodge bereiken. Die bevindt zich op de rand van de krater en je hebt een stevige 4 x 4 nodig om je tot daar te brengen. De weg op de kraterrand is een opeenhoping van keien en rotsen. Af en toe kruist een kudde ons pad. Vaak worden die begeleid door jongeren die nauwelijks tien jaar zijn. Ze kennen hun dieren en hun omgeving. “Ze zijn zelfs bevriend met de leeuwen”, zegt Mike.

In de lodge hebben we een prachtig zicht op die immense krater, waarvan de bodem ruim duizend meter beneden ons ligt.



Het is erg stil daarboven.
Ik vind de tijd om wat verhalen van Tjechow te lezen. Chantal heeft zich voor de ganse reis de lectuur van die enorme turf van Geert Mak als ambitie gesteld. Ze is zo geboeid dat ze leest voor twee en regelmatig in een levendige commentaar haar verbijstering uit over de hypocrisie, het machtsspel, het bedrog, … die de geschiedenis van de mensheid zo hebben vertekend.

Ook nu weer hadden we een goede nacht en een heerlijk ontbijt met veel fruit (heerlijke kleine bananen, watermeloen, sappige en tegelijk knapperige mango’s, …). Langs een smalle weg vol steenbrokken en rotsen dalen we af naar de bodem van de krater. We maken een goede kans om de zogenaamde big five (buffel, leeuw, luipaard, neushoorn en olifant) te zien. We zwerven de ganse voormiddag tot een flink stuk in de namiddag rond in de krater op zoek naar al die diersoorten: we zien bij herhaling leeuwen en laten ons zelfs vertederen door vier jonge leeuwen die samen een gezellig nest maken,



en daarnaast ook antilopen, buffels, giraffen, nijlpaarden – als die hun gevoeg doen kwispelen die tegelijk met hun staart, waardoor de mest niet in hoopjes neerploft, maar zich breder verspreidt-,



een neushoorn, olifanten – één loopt er zelfs bijzonder gelukzalig bij met – ik citeer Mike – “een fifth leg”,



hyena’s, zebra’s, allerlei bont en kleurig of ook wel grauw gevogelte (flamingo’s, lijkenpikkers, arenden, …) enz. De panter blijft buiten beeld. Ook hier in de krater laat de droogte zich voelen.

We volgen de dieren in hun trek naar de plassen en moerassen waar ze hun dorst gaan laven. Elk dier heeft zijn manier van doen: het leeft solitair of in groep, het is schichtig en schuw of erg agressief, het zoekt het water op of juist niet, … Mike heeft arendsogen om keer op keer te zien waar de dieren zich verbergen en ze dan meteen voor ons in beeld te brengen.


Stikdonder en besloten

In de namiddag rijden we door naar het gebied van het Tarengire National Park.
Onderweg bezoeken we een klein dorp van de Masaï. Mits het betalen van 50 euro kunnen we er vrijelijk een praatje doen met de bewoners, de huizen bezoeken, met hen meezingen… Het zijn bijna uitsluitend de vrouwen en de kinderen die thuis zijn.

De mannen zwerven kilometers verder rond met hun kuddes geiten en koeien. De vrouwen zijn mooi en vriendelijk, ja zelfs hartelijk. Ze dansen voor en met ons.



Ze tonen hun hutten – niet te geloven! Het is er stikkedonker en het ruikt er erg besloten. Ik voel een hand die mijn hand zoekt zonder dat ik aanvankelijk de persoon in de duisternis kan onderscheiden. Het blijkt een jonge man te zijn die de bijbel zit te lezen. Men vraagt ons om plaats te nemen. We aarzelen en doen het uiteindelijk ook niet. Buiten naast de ronde hut ligt er iemand gewikkeld in een deken. Een zieke, naar verluidt. Bij het afscheid kopen we nog een juweeltje, waarvan de opbrengst in een fonds gaat dat solidair verdeeld wordt tussen de dorpen van de Masaï.

We praten er verder onderweg met Mike over na. Door de aanhoudende droogte is het leven van de Masaï bijzonder moeilijk geworden. Ze komen er ook niet toe hun kinderen naar school te sturen of zich met hun dorpen in te schrijven in de ontwikkelingen van de tijd. Ze houden vast aan de oude hiërarchieën, ook al zijn die op termijn zonder enig perspectief.

Hoe Mike finaal onze nieuwe kampplaats vindt blijft ons een raadsel. Er zijn geen aanduidingen en zelfs het tracé van de weg is niet eens duidelijk. Hij rijdt op zijn gevoel en dat geeft hem duidelijk de goede richting aan.

De kampplaats ligt aan de andere kant van de vrij brede Tarangirerivier. Die is helemaal droog. Geen druppel water te bespieden.



De kampplaats wordt uitgebaat door een Zuid-Afrikaanse en haar partner. De dame weet van aanpakken.
We slapen er in een reuze tent die op een hogere stellage is geplaatst.



Dit moet ons beschermen tegen de wilde dieren en tegen de olifanten die ’s nachts graag het kamp bezoeken. We kunnen overigens ook rekenen op de bescherming van een Masaï-krijger die instaat voor onze bescherming gedurende de nacht.


The Big Four

De volgende morgen rijden we opnieuw op het gevoel van Mike af naar het Tarangire National Park. Dit park is beduidend kleiner – ruim 20.000km2 - dan dat van de Ngorongoro, maar het biedt een aantrekkelijker landschap. Hier is de savanne nog behoorlijk groen en in zijn plooien en glooien biedt het aan de wilde dieren een goede biotoop.

Het park is ook de favoriete plaats voor meer dan 500 vogelsoorten. Zoveel soorten vind je in weinig andere beschermde gebieden in de wereld. Op drogere grond is er de koritrap, de zwaarste vliegende vogel ter wereld; de struisvogel, de grootste vogel ter wereld, en kleine groepjes neushoornvogels, die lawaai maken als kalkoenen. Opvallend in het landschap zijn de vele termietenheuvels en vooral toch de typische Baobab bomen met hun dikke stam en korte kruin.



De vruchten schijnen bijzonder lekker te zijn voor mens en dier. De Tanzanianen hebben voor die veelal zeer oude bomen de grootste eerbied.

In het park dwalen er ook heel wat kuddes olifanten rond. Ze lijken vredig – moeder is zorgzaam voor baby-olifant - , maar ze zijn in wezen behoorlijk agressief. Men kan door het park heen hun spoor volgen. Ze gedragen zich echt als olifanten in een porseleinenwinkel.



Takken en bomen worden gekraakt en neergeworpen. Iedereen volgt er in een kop-staart-pas de grote leider. Maar hiernaast zien we ook vele soorten antilopen, impala’s, gazellen, een eland, buffels, gnoes, zebra’s – een zebra met een gebroken poot hinkt pijnlijk achter de kudde aan tot hij vandaag, morgen of kort daarna de hulpeloze prooi wordt van een leeuw. Een leeuw ligt in de schaduw zijn prooi te bewaken



en jaagt herhaaldelijk de maraboes en gieren weg die zich willen tegoed doen aan zijn prooi. Ze komen hardnekkig terug en telkens weer springt de leeuw naar hen toe. Een gegeven ogenblik wordt er een cheeta in de bedding van de rivier gesignaleerd. We speuren, maar krijgen hem maar niet te zien. De big five blijven big four.

We picknicken in het Park op een centrale plaats.



Het kan ons lekker smaken tot een vermetele Bonobo als een schicht op onze kampeertafel springt en het mandje met het resterende zoet jat. De omstanders springen naar hem toe, gooien hem steentjes na. Hij vlucht bliksemsnel de struiken in.

We logeren opnieuw in het tentenkamp bij de rivier. We hebben blijkbaar het bezoek gekregen van een of ander knaagdier, want de appel en de sinaasappel die ik terzijde had gelegd – het appeltje voor de dorst – waren zowat helemaal verorberd.


De voet van de reus

De volgende morgen – we zijn ondertussen donderdag 28 juli – worden we overgebracht naar Moshi. We doen nog even Arusha aan. Het ligt juist midden de tweevaks autoweg die van Egypte tot in Zuid-Afrika loopt. Er is de oude armtierige stad waar het ene winkeltje het andere recht houdt,



de recentere uitbreiding van de stad en de nieuwste stad met mooie hotelgebouwen. Op de rand hiervan bevindt zich het internationale gerechtshof dat de misdaden die werden gepleegd in Rwanda onderzoekt en behandelt. Arusha geeft een eerder veilige indruk, maar uiteraard moet men op zijn hoede blijven. Als we in een betoging terecht komen zien we voor onze ogen hoe een jonge kerel de achterruit van een wagen open stampt en er uit meepikt wat hij in een flits kan meenemen. Niemand reageert. Men gaat op in het gehol en het geschreeuw.

Tussen Arusha en Moschi wordt het landschap groener. De bodem lijkt vruchtbaar en hier is er duidelijk voldoende water om de gewassen behoorlijk te laten gedijen. Dit biedt de mensen de kans om een beter inkomen te hebben. De regio is duidelijk dichter bevolkt. Naast de hutten verschijnen hier ook vaker kleine woningen in steen.

Moshi ligt op 850m aan de voet van de Kilimanjaro. Het is een belangrijk centrum van koffieproductie – de erg gesmaakte Arabica wordt hier gekweekt - en het is ook een erg belangrijk onderwijscentrum met tal van basis- en secundaire scholen, hoger onderwijs en zelfs een internationale school. Het lijkt best een leuk stadje en bepaalde kanten van de stad stralen een gewisse welstand uit. Het hoofd van de politie woont alvast ruim en bijzonder mooi. We stellen daar best geen vragen bij. We verblijven er in een meer dan sober doorgangshotelletje – de hygiëne laat wel wat te wensen over - dat in hoofdzaak werkt voor mensen die de beklimming van de Kilimanjaro gaan aanvatten of er na de tocht even op adem komen. Het zal voor ons niet anders zijn.

In de vooravond krijgen we een uitgebreide briefing voor de beklimming die we morgen gaan aanvatten. De gids en zijn assistent, Gaspar en Francis – een dertiger en een veertiger -, zijn hierbij aanwezig. Al ons materiaal wordt gecontroleerd op zijn degelijkheid. Het traject wordt overlopen. Er wordt duidelijk aangegeven hoe we ons best gedragen en waarop we moeten letten bij eten en drinken. We zijn duidelijk in goede handen.


Whiskeyroute

Op vrijdag 29 juli beginnen we onze zevendaagse tocht. Men brengt ons met een klein busje langs een smalle weg naar de Machame gate (1700m). We zullen immers de Machameroute volgen naar de top. Ze wordt ook wel de whiskeyroute genoemd, omdat die toch wat ruiger en harder is dan de zgn. Colaroute, waar de trekkers ook in hutten kunnen logeren.

Het busje naar de gate zit afgeladen vol met ons en de acht leden van de crew die ons zal begeleiden naar de top. De bagage – rugzakken, tenten, keukenmateriaal, eten en drinken, … - is hoger boven op het dak gestapeld en waar het kan nog tussen de zetels geperst. Aan de gate is het een drukte van jewelste: trekkers, verkopers van allerlei gadgets, regenvestjes, zonnepetten enz. We moeten er ons inschrijven en krijgen onze laatste instructies.



Hier en daar is er wat zenuwachtigheid. De crews vormen zich.



De leden van de crew nemen de grote pakken op en stappen stevig naar het eerste kamp. Ook wij gaan kort voor de middag gepakt met onze dagbagage op stap. We lopen door het tropische regenwoud. Het is er overweldigend groen.



Het is een wirwar van bomen, struiken, takken en lianen, mossen. Alles is er met alles vergroeid. Het ene draagt het andere. Er hangt een sterke nevel in de lucht. Door de zwoele warmte loopt het zweet ons af. De route is ‘pittig’, maar ook voor een minder geoefende stapper best wel te doen. De eerste dag bereiken we na 6 uur stappen de Machame Camp Site op 3100m. De tenten zijn opgeslagen.



We krijgen een kommetje met 10 cm water om ons te verfrissen. We blazen onze luchtmatras op en maken alles klaar voor de nacht. Daarna lunchen we nog – het woord ‘lunchen’ is hier ruim overtrokken – en duiken we behoorlijk vermoeid de slaapzak in.


Boven de wolken

De tweede dag stappen we van de Machame Camp Site naar het Shira Camp. We verlaten de groene, beboste omgeving en beginnen de vrij steile klim omhoog. Via een pad bereiken we een prachtige rivierkloof. We doorkruisen Little Valley en bereiken uiteindelijk het Shira Plateau. Onderweg zien we mooie ritsformaties en ook een mooie heideachtige vegetatie.



Vanaf hier – we zijn nu al boven de wolken – is het uitzicht adembenemend. Na 5 uur lopen en klimmen bereiken we de Shira Camp Site. 3658 meter. Zover zijn we al.



Chantal klaagt sinds de late namiddag van ernstige hoofdpijn. Is zij gevat door de hoogteziekte? Heeft zij te lang onbeschermd gelopen onder de equatoriale zon? Of is er een andere oorzaak? Ik ben wat ongerust. De gidsen niet minder. Chantal gaat zonder eten slapen. Ik spreek met de gidsen af dat we, als ze morgenochtend niet beter is, zullen afzien van de verdere tocht omhoog, maar ons traject zullen herbekijken en wat door het Kilimanjaropark zullen trekken. De nacht brengt rust en de volgende morgen blijkt Chantal terug alive and kicking te zijn. De volgende dag verlaten we het Shira Camp en lopen na een stevige wandeling langs een stevig kamp naar het hoogste punt van de Kibo Crater en de Lava Tower (4600m,



ook wel “the Shark’s Tooth” genoemd. Het pad daalt af naar de Barranco Vallei



waar we na 6 uur lopen en klimmen het Barranco Camp (3860m) bereiken. Chantal heeft de dag goed doorlopen. Ze is duidelijk weer op dreef.
Ook nu is er weer ditzelfde ritueel: de tent in orde brengen, onze handen en gezicht wassen, iets eten, nog wat napraten en tegen 20u de slaapzak in. We slapen nacht na nacht als een blok. De wandel- en klimpartijen maken ons lekker moe en het slapen in de vrije natuur stimuleert onze nachtrust.

Zoals ’s avonds is er ook ’s morgens een geëigend ritueel. Dezelfde porter komt ons iedere morgen wekken met wat thee. Hij spreekt ons recta aan als ‘mama’ en ‘papa’. Schattig. Daarna vinden we bij de tent een klein kommetje water om ons op te frissen. Daarna nemen we een stevig ontbijt met eieren en tomaten, brood en confituur en steeds weer flink wat fris fruit.

De vierde dag verlaten we het Barranco Camp. We vervolgen onze route langs de Barranco Wall



en stappen weer over een steile klif naar de top van die Wall. Daar hebben we een prachtig uitzicht op het Kibo Massief (foto 93/212) terwijl de Heim Gletsjer boven ons ligt. We stappen langs een eerder gemakkelijk pad naar het Karanga Camp (4100m), dat we reeds na 3 uur lopen bereiken.



Ik draag nu handschoenen, omdat ik zie dat mijn handen door de hoogtezon lelijk aan het verbranden zijn, terwijl je toch moeilijk met je handen in de zakken kunt dalen en klimmen of je sticks “op eigen houtje” met je mee kunt laten lopen.

Voor het eerst hebben we wat tijd om meer uitgebreid kennis te maken met andere trekkers. Het is een internationaal gezelschap dat hoofdzakelijk bestaat uit studenten en kadermensen die in bedrijven en diensten verantwoordelijke opdrachten vervullen. Het zijn allemaal caractériels, die van doorbijten weten. Tegenover de drukte van hun bestaan is het trekken en de absolute eenvoud van het verblijf op de flanken een soort antigif om opnieuw zichzelf terug te vinden en opnieuw voeling te krijgen met hun diepste zijn. Mensen zijn hier vriendelijk, nemen gemakkelijk contact, houden een gezellig, maar meestal ook interessant babbeltje. Niemand heeft echter businesscards mee om te netwerken, al heb ik weinig plekken gekend waar dit zo kwalitatief zou kunnen.


It’s all well

Door de overnachting in Karanga voorkomen we de lange en vermoeiende trekking die we anders zouden moeten doen om het basiskamp te bereiken. Het basiskamp is de laatste stop voor de nachtelijke klim naar de top. Maar eerst dag vijf!

We trekken verder bergop van het Barranco Camp naar de Barafu Camp Site (4600m). Het is afwisselend eerder gemakkelijk stappen en harde klimpartijen die zich vlug in de benen laten voelen. We lopen wat op en neer, maar de dalende stukken langs steile rotsen bijten in de knieën en bovendijen. Gelukkig is in de verte het kamp in zicht.



Daar hebben we een mooi uitzicht over de vlakten en de top van de Kibo Crater en de Mawenzi top.



De kampplaats is weinig comfortabel. Maar in wezen was dit op de andere ook zo. De dragers moeten soms heel ver het water gaan zoeken. Water dat ze voor ons eerst koken. Kwestie van alle besmetting te voorkomen. De toiletten zijn een soort voorlopers van de Franse toiletten van weleer. In gehurkte positie zijn gevoeg doen in een gat in de grond. Meer is het niet.

De kampmeester probeert een shilling of dollar bij te verdienen door een blik cola of wat snoepgoed te verkopen. Voor de rest is er niets, niente, nada. In Barafu krijgen we een laatste briefing over wat ons de komende uren te doen staat. We moeten ons vooral tegen de koude beschermen: muts en kap over het hoofd, gedegen handschoenen aan, twee lagen thermisch ondergoed onder de trui en de jas, twee paar sokken,…

We krijgen de kans om even te rusten – drie uur – en worden om 22.30u wakker gemaakt voor de nachtelijke tocht. We drinken wat thee. De uitrusting wordt gecheckt. De hoofdlampen worden opgezet en aangezet. We vertrekken in ganzenpas met een gids vooraan en één achteraan. In het diepe duister flikkert boven ons uit hier en daar een lichtje. Zijn het sterren? Of zijn het andere trekkers die de top trachten te bereiken? Bij momenten gaat ons “treintje” goed vooruit. Soms stottert het, omdat de rotsen telkens ons ritme doorbreken en wij in die ijle lucht weer onze adem moeten zoeken. Even struikel ik. Wat verder weer. De gids kijkt me in de ogen. Ik moet denken aan de arbiter die de neergeslagen bokser in de ogen ziet om te kijken of hij de match kan verder zetten. “How do you feel?”, is de vraag. Mijn antwoord kan geen ander zijn: “Good. It’s all well. Don’t worry”. Weer zoeken we ons ritme. Soms gaat een ander “treintje” over ons heen, terwijl we het verder zelf weer oversteken. Voor ons uit stapt een man – de Zweedse luchtvaartdeskundige, met wie we de voorbije dagen vriendschap hebben gesloten. Hij wankelt. Zijn gids houdt hem recht. We houden even halt om terug op adem te komen. Of om wat water te drinken. Toch sporen we vlug weer verder, want het is bitterkoud. Het vriest door onze handschoenen heen. De gidsen wrijven de handen van Chantal warm. Toch schuiven we steeds hogerop. Zo stappen we bijna 7 uur dapper door. We wisselen nauwelijks woorden om geen energie en adem te verspillen. We merken hoe achter de bergruggen de dag zich aanmeldt. Dit geeft hoop, want we weten dat we tegen de morgen Stella Point (5700m) moeten halen. Dan gaat het vlug. We bereiken de subtop.



Een korte rust volstaat om dan meteen naar de hoogste top door te stoten. Het lijkt alsof alle vermoeidheid van ons is weggevallen. We zien het licht van de eerst komers op de hoogste top. We stappen snel door.

Rond 6 uur bereiken we de top. Chantal en ik en de gidsen, we vallen mekaar blij in de armen.



Er heerst een opgewekte stemming op de top. Andere trekkers komen er ook aan. Sommigen kijken verdwaasd. Ze lijken groggy. Maar de top doet meteen alles vergeten. Dit buitengewone uitzicht hoog boven de wolken: de zon kruipt vuurrood boven de kim, beneden ons ligt de diepe krater in haar weidsheid, gigantische gletsjers



– sinds 1912 is zowat 80% van die permafrost weggesmolten - zomen de weg af…

De gidsen manen ons aan om snel terug af te dalen, om het risico op de hoogteziekte en hersen- of wateroedeem te vermijden. Maar dit kan Chantal niet verhinderen toch nog wat foto’s te nemen.


Doffe ellende

De afdaling oogt aanvankelijk eenvoudig, tot ik over kop ga en een stuk verderop rol. Niet een keer, maar ook een tweede en derde keer. Zoveel is duidelijk, hier is grote voorzichtigheid geboden. We klommen ’s nachts om de zonsopgang op de berg te zien. Maar ook omdat de labiele ondergrond, het lijkt wel een knikkerbed, ‘s nachts door de koude is bevroren en enige grip geeft. Maar die lijkt nu wel snel ontdooid. Elk aan de arm van een gids “skieën”we naar beneden. Het lijkt een soort rafting zonder rivier, waarbij we handig zoeken om de rotsen te vermijden en ons verder snel naar beneden laten glijden in een links – rechtse schaatsbeweging.

Na tweeëneenhalf uur bereiken we opnieuw het Burufu Camp. De ploeg juicht ons toe. Iedereen omhelst en feliciteert ons. Even nog komen we er tot rust. Maar na amper twee uur rust worden we opgevorderd door de crew en moeten we verder afdalen naar de Mweka Camp Site. Die tocht is voor een groot deel doffe ellende: zowat 18 uur op en neer stappen gedurende 24 uur is van het goede te veel. Temeer het pad naar het Camp niet meteen gemakkelijk begaanbaar is.



Je kunt nooit enig ritme of tempo ontwikkelen. Je moet voortdurend rotsen ontwijken, er op of eraf stappen en … we hebben maar korte beentjes – mijn moeder zag dat meteen bij de geboorte en zei toen dat ik nooit echt groot zou worden. Gelijk had ze!

Bij de tocht naar het Mweka Camp laat de vermoeidheid zich echt voelen. We moeten wat vaker halt houden om weer wat op kracht te komen. Bij momenten lijkt het alsof we onze coördinatie wat kwijt zijn en niet goed meer weten of we nu het linker- dan wel het rechterbeen vooruit moeten zetten. Maar ook hier weer helpt de wilskracht ons om het kamp te bereiken. Het is een vrij groene site. We duiken meteen in de tent om wat op kracht te komen. Een uurtje later gaat het al weer wat beter. We nemen het avondmaal en geven ons over aan Morfeus, de god van de slaap. Het is onze laatste nacht binnen het park van de Kilimanjaro.


De zevende dag

De laatste dag – toepasselijk de zevende dag – dalen we terug af van de Mweka Camp Site naar Moshi. Maar vooraleer we het pad opgaan maakt de crew een kring rond ons en zingen ze het Kilimanjaro-lied. Het is een leuke meezinger. Meer, het ontroert mij en ik moet zelfs een dikke traan wegvegen.



In die zeven dagen is er een sterke vriendschapsband ontstaan. We hadden geen enkel meningsverschil. Eenieder deed binnen zijn opdracht zijn uiterste best opdat we de top zouden halen. We kennen ondertussen ook de verhalen van die mensen en weten hoe moeilijk hun leefomstandigheden zijn. Toch stralen ze een sterke daadkracht en vitaliteit uit en ze hebben een ongemeen grote zin voor humor. Ze kunnen grappen en grollen echt wel waarderen en spelen er zelf graag op in. Schitterende mensen zijn het.

De weg brengt ons terug in het tropische regenwoud dat we voor een laatste keer in zijn volheid – het is een groene wellust



– bewonderen. Hier en daar ontdekken we een groep spelende apen. We werpen nog een laatste blik op die gigantische bergtop.



We stappen stevig door, want om 11.30u willen we de gate bereiken. Dit lukt ons ook.

We gaan ons meteen uitschrijven. Een mercantiele vrouw en haar zoon stellen voor onze beslijkte schoenen grondig te poetsen. Natuurlijk betalen we graag een stevige stuiver. Een grote 4x4 komt ons en de rest van de crew oppikken en voert ons tussen plantages van bananen en koffie – Arabica! –



met langs de weg talloze kleine winkeltjes terug naar Moshi. We komen het stadje binnen langs een residentiële wijk met grote scholen en prachtige, goed bewaakte woningen. We ontvangen onze bewijzen dat we de top hebben bereikt.



We moeten afscheid nemen van de crew. Er worden stevige fees gegeven en adressen uitgewisseld met de stellige belofte ook wat foto’s na te sturen.

Terug in het trekkershotelletje is voor ons beiden de douche the place to be. We genieten geweldig van het stromende water. Op de bodem van de douchecel vormt zich al vlug een laag van vulkanisch stof dat van ons afvloeit. We voelen ons zo herleven.

We gaan wat lezen in de tuin van het hotelletje en vroeg – alweer – slapen.


Relaxen in Zanzibar

De volgende morgen komt men ons oppikken en brengt men ons naar de luchthaven van Arusha. Onze valiezen blijken zwaarder te wegen dan toegelaten. We moeten bijbetalen. We ontmoeten er voor het eerst streekgenoten: een echtpaar uit Wielsbeke dat met zoon en dochter een safari heeft gedaan en nu met ons doorvliegt naar Zanzibar. Het vliegtuigje is van zakformaat. Met zowat 20 personen zit het al afgeladen vol. Als we afgaan op het lawaai doet het stevig zijn best om in de lucht te blijven. We hebben van bovenuit een prachtig zicht op het bredere dorre landschap. Als we na anderhalf uur Zanzibar naderen, zien we hoe de talrijke koraalbanken zich in een diep turkoois afkleuren in de zee en … hoe de mensen wel bijzonder dicht bij mekaar wonen.



In Zanzibar vormen de moslims de overgrote meerderheid: ze vormen 95% van de bevolking. Dit laat zich meteen zien aan de sluiers van de vrouwen en de ‘potskes’ van de mannen. Het blijft wat wennen voor ons. Het is ook vaak onderwerp van gesprek met mensen die we daar ontmoeten. Wel wordt vlug duidelijk dat de moslims in een goede verstandhouding leven met de katholieke minderheid. Er is een wederzijds respect en als er Ramadan is – dit was nu precies het geval – zullen de katholieken zich in de publieke ruimte zo gedragen dat ze de moslims niet provoceren bij het volgen van hun leefregels.

Zanzibar of Unguja is een eiland aan de oostkust van Afrika, dat deel uitmaakt van Tanzania, het nabijgelegen eiland Pemba wordt vaak gerekend als behorend bij Zanzibar. Het eiland Zanzibar is eerder klein en heeft een oppervlakte van 1554 km². Het aantal inwoners wordt geschat op 1.100.000. De belangrijkste stad, tevens het economisch centrum, is Zanzibar met zijn vrijhaven en de historische binnenstad Stone Town. Zanzibar heeft als belangrijkste bronnen van bestaan specerijen (waaronder nootmuskaat, kaneel en peper) en toerisme.

De vier dagen op Zanzibar waren in hoofdzaak relaxen in een resort aan de witte kustlijn – ja zo wit, zo blauw, zo turkoois als in de boekjes!!.





We hebben onze tijd doorgebracht met zwemmen, wandelen, lezen en een uitgebreid bezoek aan Stonetown, het oude deel van de hoofdstad. We voelen ons helemaal tot rust komen. Ik laat zelfs even mijn baard groeien om een waan van wijsheid op te roepen.


Werelderfgoed

De oude stad is gebouwd op een driehoekig schiereiland aan de westelijke zijde van het eiland. De stad bestaat uit een wirwar van kleine, smalle straatjes met huizen, winkels, bazaars en moskeeën. Het transport vindt alleen plaats per voet, fiets of motorfiets, of ook met gammele bootjes.



Auto's kunnen de smalle straten niet in foto.



De architectuur is een combinatie van Arabisch, Perzisch, Indisch en Europees. De Arabische huizen zijn het meest herkenbaar door de grote houten deuren (met houtsnijwerk) en veranda's.



Er werd pas steen gebruikt om te bouwen vanaf 1830. De stad was het centrum van handel tussen Oost-Afrika en Azië en Afrika voor de kolonisatie die aan het einde van de 19de eeuw begon. Met name specerijen (kruidnagels) waren populaire exportproducten. De stad was ook tot midden de 19de eeuw een belangrijk centrum van de slavenhandel. Livingstone die er een tijd verbleef heeft er zich hevig tegen verzet. Stone Town staat – terecht - op de Werelderfgoedlijst.

We dwalen uren door de oude stad. We bezoeken de markt met een overvloed aan fruit, groenten, vlees, vis, specerijen…, maar naar onze normen is de hygiëne rampzalig. We lopen er door de steegjes – ook Kuifje is daar populair.



We bezoeken de paleizen van de kaliefen en van de Britse bezetters.





We kijken onze ogen uit van de pracht en de praal van enkele hotels met een grote traditie en een lange voorgeschiedenis. We vinden er ook ruim de tijd om er met onze gids te praten. Het is een boeiende kerel met een grote liefde voor zijn gezin en met een enorme gedrevenheid. Hij lijkt daar zowat iedereen te kennen. Hij brengt ons ook langs de woning waar Freddie Mercury (1946 - 1991 (te Londen)), de popzanger van de band Queen geboren en getogen is. Hij maakt nog steeds de trots uit van de inwoners. Op woensdagavond 10 augustus reizen we terug. De dragers op de luchthaven van Zanzibar helpen ons om in te checken en met al ons overgewicht van bagage toch vlot door de controles te geraken. Chantal wordt wel aangeklampt door iemand van de diensten die haar 5 euro komt vragen omdat hij geen zaak heeft gemaakt van dat overgewicht. Tijdens de wachttijd maken we kennis met een Amerikaan die met zijn gezin Tanzania en Kenia heeft bezocht. Hij en zijn vrouw zijn van Pakistaanse oorsprong en hun ouders waren, zoals zo vele Indiërs en Pakistani, actief in Tanzania. Hij woont nu in Californië en was er apetrots op dat hij en alle leden van het gezin de Amerikaanse nationaliteit hadden.

De terugreis verloopt via Nairobi en dan snel door naar Amsterdam, waar we in de vroege morgen aankwamen. Een ganse politiemacht met zware wapens en kogelvrije vesten controleerde zowat iedereen voor we de tunnel tussen het vliegtuig en de luchthaven konden verlaten. Voor het eerst tijdens onze reis hadden we een ongezellig gevoel bij de ontmoeting met de veiligheidsdiensten.


Confrontatie

Bij wijze van nabeschouwing nog dit: we hebben de reis als zeer beklijvend ervaren. Er was de confrontatie met de zware last van de droogte en van de armoede die weegt op grote delen van Zwart-Afrika. Er was ook de rijkdom van de vele ontmoetingen met gedreven, vitale mensen met een grote veerkracht en veel humor, al was het maar om hun eigen miserie wat te verdunnen. Er was de ervaring met een prachtige natuur en een bijzonder rijke fauna en flora, wat ons respect voor natuur en dier alleen maar kan versterken. Er was ook de confrontatie met onszelf: de grote inspanning om de top te bereiken, het gevecht met eigen twijfels en met vermoeidheid. Na zo’n reis kun je niet meer dezelfde zijn.

Luc Martens